Cancel culture?

Het is met gecancelde personen al net als met onze normen en waarden: ze bestaan alleen in de koortsige kolommen van de rechtse polemiek. Die lijst gecancelde personen die steeds langer wordt, die is er helemaal niet, net zomin als er een stuk papier bestaat waarop onze waarden en normen staan uitgelegd.

Zou er een lijst hebben bestaan van gecancelde personen, dan zou Marco Borsato daar zeker op staan. De rond de eeuwwisseling gigantisch populaire zanger van typische vinexhits als Binnen en Ik leef niet meer voor jou wordt beschuldigd van langdurig seksueel misbruik van een minderjarige. Radiostations deden al zijn werk in de ban, maar daar is stilletjes – voor zover dat voor die typische bombastische Borsatosound een toepasselijk woord is – weer een eind aan gekomen. Borsato is dus niet gecanceld. Net als de man die op televisie temidden van algemene hilariteit een verkrachting bekent en de volgende dag weer gewoon in hetzelfde programma verschijnt. Johan Derksen is niet gecanceld, net zo min als zijn maatje René van der Gijp die onder andere voetbal geen sport voor homo’s vindt. Nee, inderdaad, je mag niks meer zeggen in dit land.

En zou er een uitleg hebben bestaan van onze waarden en normen, dan zou er zeker op te lezen zijn geweest dat het inbrengen van voorwerpen in de lichaamsopeningen van bewusteloze mensen niet mag. Maar dan zouden we in staat zijn geweest om Derksen voor de voeten te werpen dat hij onze waarden en normen niet respecteert, en dat is niet de bedoeling. De frase dient om buitenlanders van een niet nader gedefinieerd anders-zijn te beschuldigen, niet om bejaarde Nederlandse zaterdagamateurs op hun plek te zetten. Onze waarden en normen bestaan helemaal niet. Stel je een gezin uit Duindorp voor dat in Blaricum gaat wonen – zeg maar de plot van Flodder – en je weet dat ik gelijk heb. Nederland is – oh the horror – te divers om waarden en normen te hebben die algemeen zouden gelden. En Nederlanders zijn trouwens ook veel te onbehouwen en agressief om ze na te leven.

En zo jaagt de rechtse polemiek en politiek op spoken en bestrijdt het, volstrekt van enige realiteit losgezongen, te vuur en te zwaard denkbeeldige problemen. Misschien wel om te voorkomen dat de mensen gaan beseffen wat de echte problemen zijn. Want zouden we net zo veel aandacht hebben voor bijvoorbeeld het op racistische gronden volledig slopen van onschuldige belastingbetalers, inclusief het ontvoeren van hun kinderen, dan zouden de mensen wel eens bewust kunnen worden van het enorme onrecht dat sommigen stelselmatig wordt aangedaan. Met andere woorden: dan worden de mensen woke.

En dan is het uit met de happy time van het rechtspopulisme.

Slegs vir blankes

Nederland in 2022 is de eigenaar van een Amsterdamse riviercruiser die vindt dat hij kan bepalen dat alleen etnische Oekraïners op zijn boot mogen worden opgevangen. Gewoon, openlijk en brutaal en met een vanzelfsprekendheid alsof het hier een verzoek betreft om je voeten te vegen bij het aan boord komen.

Dus als ze bij Ongehoord Nederland nog eens over demonisering willen janken, dan heb ik er nog wel eentje voor ze. Twintig jaar onafgebroken demoniseren van nietwitte medemensen heeft ons tot op dit punt gebracht: iemand die denkt dat het normaal is om hulpbehoevenden naar afkomst te scheiden. Iemand die vindt dat Oekraïners terecht op de vlucht slaan voor het Russische geweld, maar tegelijk vindt dat Syriërs gewoon moeten blijven zitten als ze door hetzelfde geweld van hetzelfde leger bij duizenden over de kling worden gejaagd. En dat Afrikanen niet op de trein richting veiligheid mogen stappen. Iemand die vindt dat je anno 2022 in Amsterdam een bordje SLEGS VIR BLANKES bij de loopplank van je boot kunt plaatsen.

Dat zijn de puinhopen van twintig jaar Pim waar je in de hagiografie van Nathan Vecht niets over gaat horen. Het is normaal, ja zelfs lekker om te discrimineren, om over de ruggen van oorlogsslachtoffers “links” te pesten en je eindeloos voortzanikende stammenoorlogjes uit te vechten. Het geeft zo’n geil gevoel van macht om mensen in zee te laten verzuipen bij hun wanhoopspogingen om naar Europa te komen. En met een overheid die altijd heeft volgehouden dat er niets kon, niets mogelijk was, geen vluchtelingen konden komen maar nu ineens in staat blijkt om bergen te verzetten, verbaast het niet eens meer dat deze patjepeeër dacht dat hij ook gewoon n*****s van zijn boot kon weren. Net als Mark Rutte dat doet.

Ik hoop desondanks dat de gemeente Amsterdam dit buitengewoon minderwaardige mens te verstaan geeft dat hij zijn riviercruiser maar ergens anders moet afmeren. Robbeneiland of zo. Zo niet, dan kan ik als Rotterdammer alleen maar hopen dat ergens in onze weinig poëtische hoofdstad nog iemand rondloopt die begrijpt wat alle Rotterdammers weten: dat alles van waarde weerloos is.

Hoe het begon

Santa Maria di Leuca (Apulië), 8/3/2020

Na een lang weekeinde in Lecce en omgeving reden we op acht maart 2020 via Santa Maria di Leuca, het zuidelijkste puntje van Apulië, terug naar huis – dat is nog een dikke viereneenhalf uur rijden vanaf het punt waar bovenstaande foto, rond een uur of vijf ’s avonds, is gemaakt.

We kwamen net op tijd om de priester van de Basiliek van Santa Maria Finis Terrae te horen vertellen dat hij op last van het bisdom geen mis meer mocht vieren. In het noorden waren een aantal strikte lockdowns afgekondigd ter bestrijding van het nieuwe virus COVID-19. Duizenden Milanezen met wortels in het zuiden zouden onderweg zijn naar Apulië en de andere zuidelijke regio’s van Italië om daaraan te ontsnappen. Deze mensen zouden natuurlijk covid* meebrengen naar ons, met onze slechte gezondheidszorg en onze brakke infrastructuur. Het voelde precies zo bedreigend als de lucht boven de Ionische Zee.

De hele reis had al in het teken gestaan van de pandemie; we dwaalden door de uitgestorven straten van Lecce, hoorden de klaagbeden van horeca-uitbaters in lege restaurants en zagen de laatste achtergebleven studenten rondhangen op de Piazza Sant’Oronzo aan de rand van het Romeinse amfitheater. Je kent dat gevoel wel dat je in een toeristische stad bent en zou willen dat je er eens rustig kon rondkijken zonder al die mensenmassa’s. Ik ben daar sinds dat reisje niet meer zo zeker van. Het was vooral spookachtig.

Studenten op de Piazza Sant’Oronzo, Lecce 6/3/2020

Terwijl de avond viel reden we die achtste maart weg uit Santa Maria di Leuca. Het zou tot oktober 2021 duren eer wij weer langer dan een halve dag van huis zouden zijn. De volgende dag is mijn partner nog gewoon gaan werken, maar die avond kondigde premier Giuseppe Conte de lockdown af voor heel het land. Pas bijna twee maanden later, op 7 mei, zouden we weer naar buiten gaan voor iets anders dan boodschappen.

En nu zou het dan allemaal voorbij zijn – alleen is het helemaal niet voorbij. Het voelt niet als een einde, er zijn nog steeds de dagelijkse cijfers en die stemmen helemaal niet gerust. Het voelt alleen als een opluchting voor wie niet het virus maar alleen de maatregelen zag als het probleem. De kwetsbaren – en we hebben allemaal kwetsbaren in de familie – worden in het diepe gegooid. De druk van de politiek en het bedrijfsleven en de media die al twee jaar kakelen over post-corona en nooit zijn gedwongen die woorden weer in te slikken, is te groot gebleken. Het is voorbij omdat ze willen dat het voorbij is. Het is voorbij tot de volgende variant opduikt.

*Italianen zeggen covid, niet corona.

Veteranen?

Ook ik heb me mee laten voeren in gesprekken over wat nu precies een veteraan is en wat mensen wel of niet mogen met betrekking tot uniformen en de ‘titel’ veteraan. Kamerlid Derk Boswijk (CDA) stelt bijvoorbeeld dat het ordedienstje spelen in halve uniformen helemaal niet mag. Ik ben daar nog niet zo zeker van. Maar we slaan de belangrijkste vraag over: Doet het ertoe of een manifestant een veteraan is?

Het geüniformeerde theater wat we de afgelopen maanden hebben gezien, is een zwakke poging om Amerikaanse toestanden te kopiëren. Denk daarbij aan het automatische respect dat een Amerikaanse veteraan ten deel valt, zoals de frase thank you for your service die vrijwel gedachtenloos volgt op de mededeling dat je in het leger hebt gediend. Het is zelfs mij al eens toegevoegd, en ik heb gewoon met frisse tegenzin mijn dienstplicht vervuld in eigen land. Maar denk vooral ook aan de extreemrechtse intimidatieclub Oath Keepers die zich beroepen op hun militaire eed en hun veteranenstatus.

Mijn bezwaar tegen mensen als Derk Boswijk is dat ook zij niet ophouden om te benadrukken hoe belangrijk de status van veteraan wel niet is, en hoe groots de daden van Onze Jongens die in den Vreemde voor Vrede en Veiligheid enzovoorts enzovoorts, terwijl het gewoon werk is, behoorlijk smerig werk soms. De tijd dat een veteraan iemand was die op de Grebbeberg of in de Peel-Raamstelling met een Geweer M. 95 de Duitse troepen te lijf ging, en letterlijk vocht om vierkante meters vaderland, is voorbij. Ik weet wat de beweegredenen zijn om uitgezonden te willen worden, en die hebben heel weinig met het vaderland te maken. Maar Boswijk echoot precies het soort kritiekloos nationalistisch-militaristisch geleuter wat tot de Oath Keepers heeft geleid. Hij kan ook niet anders: een groot deel van het buitenlands beleid alsmede het complete defensiebeleid is gebaseerd op de gedachte dat we het leger kunnen uitzenden, en die gedachte staat of valt bij de bereidheid van het volk om te geloven dat dat allemaal heel nobel en eerbaar is. De Wappie-SS heeft een mooie zwakke plek in de politiek gevonden om uit te buiten.

Maar laten we met de beide benen op de grond blijven staan. Jij bent dus korporaal geweest in Bosnië? Fijn voor je, ik was in die tijd heftruckchauffeur in Tilburg. En nu? Heb jij nu meer te zeggen dan ik? Heb je meer gelijk? Heb je meer rechten? Mag de politie jou niet van de straat af ranselen en mij wel? Ik denk ’t niet. De bereidheid van een veteraan om zich in elkaar te laten rossen door de ME is niet nobeler dan die van een schuimbekkende bejaarde biker. Dus staat er “een linie van veteranen“? Er staan mensen met petjes en camouflagejasjes die zichzelf ten onrechte tot ordedienst hebben uitgeroepen. Meer doet er niet toe, en wie als vijftiger leeft in de veronderstelling dat je als een zooi halfbakken dienstplichtigen moet marcheren en excerceren, die is niet helemaal fris in zijn bovenkamer.

Wat dat laatste betreft is een Amerikaanse aanpak misschien toch niet zo gek.

Het Beest

“Als er een nazi aan tafel zit en bij hem zitten tien mensen, dan zitten er dus elf nazi’s aan tafel.” Dit is een gezegde dat rond gaat op Twitter, soms met de toevoeging dat ze dat in Duitsland zeggen. Het is niet zo’n stelling die je al te precies moet analyseren want dan blijft er weinig van heel, maar het geeft wel vrij exact mijn probleem aan met Twitter.

Want wat zijn wij anders op social media dan de enablers van extreemrechts? Zou Thierry Baudet bestaan hebben zonder de eindeloze retweets met hoogst verontwaardigd, geïrriteerd of minachtend commentaar erboven? Zou Joost Eerdmans een landelijke politicus zijn geworden, zou Geert Wilders zo zijn gegroeid zonder het ophefmodel, gebouwd niet op toekomstvisie maar op de waan van de dag?

Deze week is er in Italië een schandaal losgebarsten rondom de man die het socialmedia-apparaat van Legaleider Matteo Salvini heeft opgezet. La Bestia (Het Beest) is onder andere een team van veertig (!) medewerkers die de opinies op het Italiaanse internet bijsturen, bijvoorbeeld door het welbewust inzetten van de grote schare fans van de extreemrechtse leider om de oppositie te bestoken. Het klinkt bekend, zullen we maar zeggen. Al is er maar weinig bekend over hoe die dingen in Nederland werken.

Veertig betaalde medewerkers om ons te bewerken, om onze mening te beïnvloeden – niet met argumenten maar met bombardementen. En wat doen wij? We kijken elke ochtend op de socials en laten de hele boel over ons heen komen. Terwijl dat niet hoeft. We kunnen ook wegblijven, we kunnen Twitter overlaten aan extreemrechts gepeupel, politici en journalisten en gewoon de kranten lezen. Die dan ook gedwongen worden om verder te kijken dan het verdomde ophefmodel om te bepalen waarmee ze de kolommen moeten vullen.

Misschien kan Alexander Klöpping een app ontwikkelen waarop kranten hun linkjes kunnen dumpen zonder dat ongeletterde halfapen er een reactie onder kunnen brullen? Ik ben er klaar voor.

Democratie brengen

Als je aan een oorlog wil meedoen, dan moet je bereid zijn om er volledig voor gaan, met alles wat je hebt, al je budget en al je materieel en al je soldaten. Anders moet je er niet aan beginnen. Als je eventueel wel troepen wilt sturen met een beperkt mandaat, mits er harde garanties komen over de inzetbaarheid van de gestuurde eenheden alsmede luchtsteun door bondgenoten, een maximale duur van achttien maanden en een budget dat niet meer is dan vijf miljard, blijf dan thuis.

Oorlog werkt niet zo. Op een gegeven moment word je beschoten en moet je terugschieten, zonder eerst te vragen of daar wel budget voor is. Of mandaat. Of een Kamermeerderheid. Ik zou bijna denken dat het idee van de beheersbare missie bedacht is om GroenLinkse politici – die überhaupt geen kaas gegeten hebben van oorlog – over te halen om toch voor uitzending te tekenen. Weten zij veel. Beloof ze maar van alles. Eenmaal te velde blijft daar niets van heel, dat weet elke soldaat.

En dan rijdt er bijvoorbeeld een voertuig op een mijn. Drie doden. Een schok gaat door het land. De steun – of liever gezegd het begrip voor de missie loopt een forse knauw op. In Italië zijn er straten en pleinen genoemd naar de Martelaren van Nasiriya, de 19 Italiaanse slachtoffers van een aanslag op het hoofdkwartier van de carabinieri in de Irakese stad in 2003. Het geeft aan wat het grootste probleem is van vredesmissies: het feit dat moderne democratiën ze uitvoeren.

Het lijkt mooi om democratie te brengen naar het buitenland, maar de thuisblijvers accepteren geen grote verliezen meer. De tijd dat je met je invasiemacht op één dag 4400 eigen soldaten kon begraven zonder dat het volk massaal in opstand kwam, is voorbij. Toen een aanslag in 1983 het leven kostte aan 241 Amerikaanse militairen in Beirut, tekende President Reagan vier maanden later het bevel om de Marines uit Libanon terug te trekken. Zelfs Reagan kon zelfs in de VS niet verkopen dat zelfs een missie in het belang van Israel belangrijk genoeg was voor een aantal doden dat het aantal Amerikaanse doden per dag in Europa in de Tweede Wereldoorlog (±320) niet haalde.

Paradoxaal genoeg kun je dus met je democratie helemaal geen democratie exporteren. Het volk blijft niet erg lang op de partij stemmen die haar zonen en dochters ergens in een vreemd land voor een nobel doel overhoop laat schieten. Het is al moeilijk genoeg om ze enigszins te laten geloven in je goede bedoelingen. Want zit er geen olie, dan zal het wel om een spel tussen grootmachten gaan. Geen democratisch parlement gaat je carte blanche geven om het hele leger in te zetten voor zoiets.

En ja, dat weten ze in het kamp van de vijand. Achter de Europese soldaat in hun land staat niet zijn hele leger, maar alleen een kluitje bangige politici. Het is geen voorhoede – het is alles wat ze konden afvaardigen. Dan heb je tegenover rebellen zonder mandaat of parlement eigenlijk al verloren voordat je je schuttersputje hebt gegraven. Want ze gaan het langer volhouden dan jij. Veel langer.

Andere tijden

Je moet als vijfitger nooit schrijven over hoe vroeger alles beter was. Allereerst moet je dat overlaten aan zure gepensioneerde zeiksnorren en ten tweede moet je begrijpen dat je niet alles weet, en dat je herinnering niet volledig is. Toen ik negen was, las ik geen kranten en zag ik geen prime time televisie, dus ik heb eerlijk gezegd geen idee hoe ‘het debat’ destijds ging. Maar terugkijkend lijkt het een meer ontspannen tijd te zijn geweest.

We schrijven 1979. Mijn moeder spaart nog koffiepunten en mijn vader rijdt in een Renault 12 Break. Ik zit op de lagere school en speel met autootjes. De nieuwe rage van eind jaren zeventig is windsurfen, en de Nederlandse groep The Surfers hebben er al twee hits mee te pakken: Windsurfing en Windsurfing-Time Again. Bij ons thuis vindt het bandje weinig gehoor: mijn oudste broer houdt van funk en soul en de middelste van Queen. En ik, de jongste, heb nog helemaal niet zo’n vast omlijnde smaak, maar van ‘rare stemmetjes’ zoals The Surfers moet ik niks hebben.

Maar het gaat me vandaag niet om de muziek. Het gaat me om de clip – wat destijds overigens ook een vrij nieuw verschijnsel was. Windsurfing-Time Again is opgenomen op een strand en toont een opmerkelijk multiculturele groep, een volstrekt gratuite poedelnaakte peuter en een topless meisje dat leert surfen.

En ik kan niet aan de indruk ontsnappen dat zoiets nu voor enorme discussies zou zorgen. Boze rechtse mensen die een band met Aziatische en Afrikaanse Nederlanders zouden zien als een poging van de elites om ons om te volken, en dat natuurlijk aan de jeugd op te dringen. Linkse propaganda! En zeg ik rechts, dan zeg ik ook pedojagers die de adresgegevens van de zanger onderling verspreiden om hem een bezoekje te gaan brengen. Eens kijken hoe veel blote peuters die gore smeerlap in zijn kelder verstopt heeft!

Dan heb ik het nog niet gehad over het topless meisje op de surfplank. Want dat is natuurlijk seksualisering van een minderjarige, of iemand die minderjarig zou kunnen zijn, en dat is natuurlijk net zo erg. Walgelijk dat mannen daar op geilen, je bent ZIEK als je dertig bent en je vindt een meisje van zeventien leuk. Misschien is ze zelfs nog maar zestien! Smeerlappen! Je moet echt hulp zoeken met je problematische male gaze!

Toch leert Delpher ons dat er niets in de krant stond over Windsurfing-Time Again, behalve dan in de braaf elke week afgedrukte hitlijsten. Geen ingezonden stukken, geen verontruste commentaren. Het niemendalletje schopte het tot nummer 17 in de Top 40. Na mijn tiende verjaardag op achttien augustus was de zomervakantie en het succes afgelopen en kraaide er – tot vandaag – geen haan meer naar.

Je hoort mij niet zeggen dat de jaren zeventig van de vorige eeuw zo veel beter waren dan de jaren twintig van onze eeuw. Het was erg relaxed allemaal, veel te relaxed zelfs. Maar misschien kunnen we iets vaker tot tien tellen en diep ademhalen voordat we weer eens piswoest worden. Ten slotte hebben we de jaren zeventig ook gewoon overleefd.

Een bezopen drinkcultuur

Mannen. Voetbalmannen. Automannen. Barbecuemannen. Biermannen. Je bent een man als je voetbal en auto’s begrijpt, als je kunt barbecuen en als je tegen drank kunt. Bier. Geen wijn, want je bent geen wijf. Geen whiskey, want je bent geen snob. Geen jenever, want je bent niet je opa. Nee: bierrrh. Van de super. Met kratten tegelijk. Mooie stevige hoekige felgekleurde kratten die fijn in elkaar passen, als de legostenen uit je kindertijd.

Het probleem van excessief drankgebruik is geen prijsprobleem maar een cultuurprobleem. Op de een of andere manier leven Nederlanders in de waan dat bier drinken stoer is, en dat veel kunnen drinken zonder dronken te worden iets is om trots op te zijn. Ik dacht er zelf ook zo over. “Hij kan er goed tegen.” “Zij drinkt je onder de tafel.” “’s Avonds een vent, ’s ochtends ook een vent.” Een man een man, een bier een bier. Hoe laat is de vrijmibo? Ik zie me nog zitten bij het uitzendbureau, want ook voor wie zijn briefje kwam inleveren bij Randstad of Tempo-Team was er op vrijdagmiddag bier. En anders wel met collega’s van ‘de vloer’ staand rondom een tafel met een krat er op in de bedrijfskantine, op enige afstand van ‘het kantoor’, die zoals altijd op hun reet zaten. Buiten stond de auto te wachten. Want ook rijden met een slok op is iets waar echte mannen niet moeilijk over doen. Dat kun je, als echte man.

Bier wordt niet in kratten verkocht

Toen ik ging studeren, raakte ik op het introductiefeestje in gesprek met de directeur van de opleiding. Voordat ik het wist, stonden er twee biertjes achter mijn halflege glas klaar. Want ik was nu in Maastricht, en de Hollander moest leren drinken es ‘nen echte Mestreechteneer. Hetzelfde gebeurde me later in het leger in Eibergen, want de Hollander moest leren drinken als ’n echte Tukker. Enfin, daarna ben ik naar Brabant verhuisd. Ik hoef je niet uit te leggen dat de lokale bevolking ook daar beretrots is op de eigen drankconsumptie.

Ik woon in een land met een sterke machocultuur, vol mannen met een zorgvuldig opgebouwd en onderhouden imago. Automannen en voetbalmannen, natuurlijk. Sportschoolmannen. Merkkledingmannen. Mannen die hun wenkbrauwen laten doen. Schoenen- en brillenmannen. Er wordt gedronken, en er wordt ook allemachtig veel gereden met drank op, maar het drinken is geen doel op zich en al zeker geen wedstrijd. Je drinkt met vrienden bij een mooie maaltijd die makkelijk een hele middag en/of avond kan duren. Maar niemand vindt dat je daar bij ‘moet’ drinken, al is wijn bestellen een automatisme. En water staat altijd op tafel.

Bier wordt niet in kratten verkocht maar in pakken van drie (soms zes) flesjes. Reclames draaien om gezellig samen zijn, mannen en vrouwen, zonder testosteronstemmen die bierrrh zeggen en doen alsof bierdrinkers vrijgevochten kerels zijn in plaats van aan hypotheek, gezin en kantoor vastgeketende vinexpappa’s. Die rare, vettige male bonding-kramp van mannen onder elkaar en bier kennen ze hier niet.

Wil je iets doen aan problematisch drankgebruik onder jongeren, dan moet je daar beginnen. Niet de prijs maar de bezopen drinkcultuur is het probleem.

Weet je wie ook…

Ik weet niet hoe het met jullie is, maar ik moet bij “vrijheidsstrijders” altijd denken aan het Horst Wessellied, het partijlied van Hitler’s NSDAP. Want die zongen in de – democratische – Republiek van Weimar dat de dag van vrijheid en brood aanbreekt, en dat de slavernij nog maar kort duurt. Nou, dat hebben ze geweten.

Misschien dat de arme misleide zielen die op demonstraties tegen coronamaatregelen meelopen, zelf inderdaad geloven dat ze voor vrijheid strijden. Maar het doel is niet een bevrijding. Het doel is dat mensen beginnen te geloven dat we niet vrij zijn. En nee, dat is niet logisch, want je moet vrij zijn om de straat op te mogen met de boodschap dat je niet vrij bent. Maar logica doet er niet toe.

Je moet vrij zijn om te kunnen demonstreren. Daarom melden ze demonstraties niet aan, want dan grijpt de politie in en kun je “bewijzen” dat je niet vrij bent. Daarom willen ze daar demonstreren waar ze beslist nooit toestemming voor gaan krijgen, want dan kun je “bewijzen” dat je niet vrij bent. Daarom lopen er hooligans mee, want die gaan knokken met de ME zodat je kunt “bewijzen” dat je niet vrij bent. Daarom volgen ze politiebevelen niet op, want dan moeten ze dwang gebruiken en kun je “bewijzen” dat je niet vrij bent. In het internettijdperk is niets zo makkelijk dan zelf het frame rondom je acties te bepalen. Jullie dénken wel dat je vrij bent, maar dat is niet zo! Kijk maar! En hup, filmpje erbij waar alle context keurig vanaf is geknipt. Als het al geen filmpje is van zes jaar geleden uit een heel ander land.

En is dan het volk ervan overtuigd dat we helemaal niet vrij zijn, dan beloof je ze dat jij ze kunt bevrijden. Der Tag für Freiheit und für Brot bricht an! Vrijheid! Wie wil dat nou niet! Maar we zijn vrij. En waar zij heen willen, dat weten we. Dat eindigt met een speech waarin een enthousiast publiek wordt verteld dat we ons hele leven niet meer vrij zullen zijn. (PDF)

Een soort Zweden

Na de rode kaart voor De Ligt maar nog vóór het eerste Tsjechische doelpunt gisteravond waren er al mensen die woest de oranje vlaggetjes van hun gevels stonden te trekken. Het is tekenend voor de relatie van veel Nederlanders met de dagelijkse realiteit: woede en frustratie dankzij onrealistische verwachtingen. De Nederlander laat zich wekenlang opjutten om er vervolgens voor de zoveelste keer sinds 1988 achter te komen dat “we” helemaal geen kampioen worden.

Intussen heeft hij zich wel een zooi nutteloze Oranjerommel in de maag laten splitsen, alsmede een nog bredere breedbeeldtelevisie in nog hogere definitie. Het is dan ook vooral de commercie die de Nederlander elke keer weer tot aan het randje van de totale gekte brengt, want het is lucratieve handel. Een maand voor de aftrap begint het bombardement met ronduit lelijke, nutteloze rommel waar desalniettemin mensen in landen waar u nooit aan denkt voor hebben moeten lijden. Doel: de mensen naar winkel A lokken in plaats van winkel B van de concurrent.

Of dacht u dat het de super om voetbal ging? Om onze jongens? Luister, als u zo gek bent om voor een lap bedrukte stof ter waarde van nauwelijks een euro €4,99 én een volle spaarkaart à €2,50 op te hoesten, dan zal het de Jumbo een zorg wezen of dat ding oranje is met een leeuw, of wit met een portret van Lothar Matthäus. Misschien was er nog ergens een ouwe manager, nog van de Emté, die opperde om het ding als gadget weg te geven, maar die is met vervroegd pensioen gestuurd. Géven, Broekema?

Enig realisme zou de Nederlander goed doen. Jullie hebben een leuk elftal wat best een aardig balletje trapt. Een soort Zweden. Af en toe kun je er een kampioenschapje mee binnenhalen, maar meestal is het al heel mooi dat je het toernooi haalt. Zo wordt elke gewonnen wedstrijd een mooie overwinning op zich, in plaats van een deel van die hyperfanatieke race naar dat vrijwel onhaalbare einddoel.

En laat die rotzooi lekker liggen in de supermarkt. Afval produceren we toch al veel te veel. Misschien kunnen de sponsoren leuke dingen bedenken voor kinderen. Om weg te ge… nee ok, ik hou al op.